Jozef verwelkomt zijn familie
Farao laat de herders zich vestigen in Gosen, terwijl de hongersnood voortduurt. De Egyptenaren verkopen hun zilver, hun vee, hun land en ten slotte zichzelf voor graan, en Jozef maakt het tot wet. Jakob noemt zijn jaren weinig en zwaar en laat Jozef zweren dat hij hem niet in Egypte zal begraven.
47 1Jozef kwam bij de farao en zei tegen hem: “Mijn vader en mijn broers zijn uit Kanaän gekomen, met hun kleinvee, hun runderen en alles wat ze bezitten. Ze zijn nu in Gosen.” 2Uit zijn broers koos hij vijf mannen en stelde hen aan de farao voor. 3De farao vroeg aan Jozefs broers: “Wat voor werk doen jullie?” Ze antwoordden de farao: “Uw dienaren hoeden schapen, net als onze voorouders.”
4Ze zeiden tegen de farao: “We zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te wonen, want er is geen weidegrond voor de kudden van uw dienaren — de hongersnood is zwaar in Kanaän. Sta uw dienaren nu toe om zich in Gosen te vestigen.”
5De farao zei tegen Jozef: “Je vader en je broers zijn naar je toe gekomen. 6Egypte ligt voor je open. Laat je vader en broers in het beste deel van het land wonen — laat hen in Gosen leven. En als je onder hen bekwame mannen kent, stel hen dan aan over mijn vee.”
7Toen bracht Jozef zijn vader Jakob binnen en stelde hem aan de farao voor, en Jakob zegende de farao. 8De farao vroeg aan Jakob: “Hoeveel jaren heeft u geleefd?”
9Jakob antwoordde de farao: “De jaren van mijn omzwervingen zijn honderddertig. Weinig en zwaar zijn ze geweest, en ze hebben de jaren van de omzwervingen van mijn voorouders niet bereikt.” 10Toen zegende Jakob de farao en ging bij hem weg.
11Zo vestigde Jozef zijn vader en broers en gaf hun grond in het beste gebied van Egypte, de streek van Rameses, zoals de farao had bevolen. 12Jozef voorzag zijn vader, zijn broers en heel het huishouden van zijn vader van voedsel, naar het aantal van hun kinderen.
De hongersnood wordt erger
13Er was geen voedsel meer in het hele land, want de hongersnood was zeer zwaar, en het land Egypte en het land Kanaän raakten uitgeput door de hongersnood. 14Jozef verzamelde al het zilver dat in het land Egypte en het land Kanaän te vinden was, als betaling voor het graan dat de mensen kochten, en hij bracht het zilver naar het paleis van de farao. 15Toen het zilver in het land Egypte en het land Kanaän op was, kwamen alle Egyptenaren naar Jozef en zeiden: “Geef ons voedsel! Waarom zouden we voor uw ogen sterven? Ons zilver is immers op.”
16Jozef antwoordde: “Geef dan jullie vee; ik zal jullie voedsel geven in ruil voor jullie vee, nu jullie zilver op is.” 17Ze brachten hun vee naar Jozef, en hij gaf hun brood in ruil voor de paarden, het kleinvee, de runderen en de ezels. Dat jaar voorzag hij hen van brood in ruil voor al hun vee. 18Dat jaar liep ten einde, en in het tweede jaar kwamen ze naar hem toe en zeiden: “We kunnen voor mijn heer niet verbergen dat ons zilver op is en dat het vee van mijn heer is; er blijft voor mijn heer niets over dan onze lichamen en onze grond. 19Waarom zouden we voor uw ogen sterven — wij en onze grond? Koop ons en onze grond in ruil voor voedsel; dan zullen wij en onze grond de farao dienen. Geef ons zaaigoed zodat we blijven leven en niet sterven, en zodat de grond niet verwoest raakt.”
20Zo kocht Jozef alle grond van Egypte voor de farao, want elke Egyptenaar verkocht zijn akker — de hongersnood was te zwaar voor hen. Zo werd het land eigendom van de farao. 21En het volk bracht hij over naar de steden, van het ene eind van Egypte tot het andere. 22Alleen de grond van de priesters kocht hij niet, want de farao gaf hun een vast deel waarvan ze leefden; daarom verkochten ze hun grond niet. 23Jozef zei tegen het volk: “Kijk, vandaag heb ik jullie en jullie grond voor de farao gekocht. Hier is zaaigoed — bezaai de grond.” 24“Bij de oogst moeten jullie een vijfde aan de farao geven; de overige vier delen mogen jullie houden als zaaigoed voor de akker en als voedsel voor jullie, jullie huishoudens en jullie kinderen.”
25Ze zeiden: “U hebt ons leven gered. Mogen we genade vinden in de ogen van mijn heer, dan zullen we slaven van de farao zijn.” 26Zo maakte Jozef het tot een wet in Egypte — die vandaag nog van kracht is — dat een vijfde deel naar de farao gaat. Alleen de grond van de priesters werd geen eigendom van de farao.
27Israël woonde in het land Egypte, in de streek Gosen. Ze verwierven daar bezit, waren vruchtbaar en namen sterk in aantal toe. 28Jakob leefde nog zeventien jaar in Egypte; in totaal werd hij honderdzevenenveertig jaar oud. 29Toen de tijd naderde dat Israël zou sterven, riep hij zijn zoon Jozef en zei: “Als ik genade bij je heb gevonden, leg dan alsjeblieft je hand onder mijn heup en bewijs me trouwe liefde en toewijding. Begraaf me alsjeblieft niet in Egypte, a a v29 Het leggen van een hand onder iemands heup was in de oudheid een plechtig gebaar bij een eed, waarmee de belofte op iemands nakomelingen werd gebonden. 30maar laat mij bij mijn voorouders rusten. Draag me weg uit Egypte en begraaf me in hun graf.” Jozef zei: “Ik zal doen wat u zegt.”
31Jakob zei: “Zweer het me.” Jozef zwoer het hem. Toen boog Israël zich neer aan het hoofdeinde van zijn bed.