Liefde kent geen voortrekkerij
Wie de rijke man een goede plaats geeft en de arme man op de grond laat zitten, maakt de gemeente tot een rechter met kwade bedoelingen, terwijl onze Vader de armen koos om rijk te zijn in geloof. Geloof dat een hongerige broeder alleen met woorden voedt, is dood.
2 1Mijn broeders en zusters, als gelovigen in onze glorierijke Heer Jezus Christus mogen jullie niemand voortrekken. 2Stel dat er een man met een gouden ring en mooie kleren jullie samenkomst binnenkomt, en dat er ook een arme man in versleten kleren binnenkomt. 3Als jullie dan oog hebben voor de goedgeklede man en zeggen: “Ga hier maar zitten, op een goede plaats,” maar tegen de arme man zeggen: “Ga daar maar staan,” of: “Ga maar op de grond zitten, bij mijn voeten,” 4maken jullie dan geen onderscheid onder elkaar en zijn jullie geen rechters die zich door kwade bedoelingen laten leiden? 5Luister, mijn geliefde broeders en zusters: heeft onze Vader niet de armen van de wereld uitgekozen om rijk te zijn in geloof en om erfgenamen te zijn van het koninkrijk dat hij heeft beloofd aan wie hem liefhebben? 6Maar jullie hebben de arme met minachting behandeld. Zijn het niet de rijken die jullie onderdrukken en jullie voor het gerecht slepen? 7Zijn zij het niet die de eervolle naam lasteren die over jullie is uitgeroepen?
8Als jullie echt de koninklijke wet gehoorzamen volgens de Schrift: “Heb je naaste lief als jezelf,” dan doen jullie goed.
9Maar als jullie iemand voortrekken, zondigen jullie, en de wet veroordeelt jullie als overtreders. 10Wie de hele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig aan overtreding van de hele wet. 11Want onze Vader, die overspel verbood, verbood ook moord. Dus als je geen overspel pleegt en toch een moord begaat, ben je een overtreder van de wet. 12Spreek en handel als mensen die geoordeeld zullen worden door de wet van de vrijheid. 13Het oordeel is meedogenloos voor wie geen barmhartigheid heeft bewezen; de barmhartigheid triomfeert over het oordeel.
Geloof dat werkt
14Wat heeft het voor zin, mijn broeders en zusters, als iemand beweert geloof te hebben, maar geen daden? Kan dat geloof hem redden? 15Stel dat een broeder of zuster slecht gekleed is en niet genoeg dagelijks eten heeft, 16en een van jullie zegt tegen hen: “Ga in vrede, blijf warm en eet goed,” maar geeft niets voor wat ze lichamelijk nodig hebben — wat heeft dat voor zin? 17Zo is ook het geloof op zichzelf dood, als het niet gepaard gaat met daden. 18Maar iemand zal zeggen: “Jij hebt geloof, en ik heb daden.” Laat mij je geloof zien zonder daden, dan zal ik jou mijn geloof laten zien uit mijn daden. 19Jij gelooft dat onze Vader één is; daar doe je goed aan. Zelfs de demonen geloven dat — en huiveren. 20Wil je weten, dwaas mens, dat geloof zonder daden nutteloos is? 21Werd onze vader Abraham niet gerechtvaardigd door daden, toen hij zijn zoon Isaak op het altaar offerde? 22Je ziet dat het geloof samenwerkte met zijn daden, en dat het geloof door zijn daden werd voltooid. 23Zo werd de Schrift vervuld: “Abraham geloofde onze Vader, en het werd hem toegerekend als gerechtigheid” — en hij werd een vriend van onze Vader genoemd. a a v23 Abraham was niet zomaar iemand die in onze Vader geloofde — hij werd zijn vriend genoemd. Dit is de kern van waarom onze Vader ons zoekt: niet om dienaren die hem vrezen, maar om vrienden die hem kennen. 24Je ziet dat een mens gerechtvaardigd wordt door daden en niet door geloof alleen. 25Werd ook Rachab, de prostituee, niet op dezelfde manier gerechtvaardigd door daden, toen zij de boodschappers ontving en hen langs een andere weg liet vertrekken? 26Want zoals het lichaam zonder de geest dood is, zo is ook het geloof zonder daden dood.