Bij het meer van Tiberias
Terug aan het vissen vangen ze niets, tot ze op het woord van een vreemde honderddrieënvijftig vissen binnenhalen en een ontbijt vinden dat al op het vuur staat. Bij een ander houtskoolvuur vraagt Jezus Petrus drie keer of hij hem liefheeft, geeft hem schapen om te weiden en zegt hem ronduit: volg mij.
21 1Daarna liet Jezus zich opnieuw aan de leerlingen zien bij het meer van Tiberias — en dit is hoe hij zich liet zien. 2Simon Petrus, Tomas die Tweeling werd genoemd, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen waren bij elkaar. 3Simon Petrus zei tegen hen: “Ik ga vissen.” “Wij gaan met je mee,” zeiden ze. Dus gingen ze naar buiten en stapten in de boot, maar die nacht vingen ze niets.
4Bij het aanbreken van de dag stond Jezus op de oever, maar de leerlingen wisten niet dat het Jezus was.
5Jezus zei tegen hen: “Kinderen, hebben jullie ook vis?” Ze antwoordden hem: “Nee.”
6Hij zei tegen hen: “Gooi het net aan de rechterkant van de boot uit, dan zullen jullie vis vinden.” Dus gooiden ze het uit, en ze konden het niet meer binnenhalen vanwege de enorme hoeveelheid vis.
7De leerling van wie Jezus hield, zei tegen Petrus: “Het is de Heer!” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, sloeg hij zijn mantel om — die had hij uitgetrokken om te werken — en wierp zich in het meer. 8De andere leerlingen kwamen met de boot, terwijl ze het net vol vis achter zich aan sleepten, want ze waren maar ongeveer honderd meter van de oever. 9Toen ze aan land gingen, zagen ze een houtskoolvuur met vis erop, en brood.
10Jezus zei tegen hen: “Breng wat van de vis die jullie net hebben gevangen.”
11Dus stapte Simon Petrus aan boord en sleepte het net aan land, vol met 153 grote vissen; en ondanks dat het er zoveel waren, scheurde het niet.
12Jezus zei tegen hen: “Kom ontbijten.” Niemand van de leerlingen durfde hem te vragen: “Wie bent u?” — ze wisten dat het de Heer was.
13Jezus kwam dichterbij, nam het brood en gaf het aan hen, en de vis ook. 14Dit was nu al de derde keer dat Jezus zich aan de leerlingen liet zien nadat hij uit de dood was opgewekt.
15Toen ze gegeten hadden, vroeg Jezus aan Simon Petrus: “Simon, zoon van Johannes, houd je met heel je hart van mij, meer dan zij?” Hij antwoordde: “Ja, Heer, u weet dat ik van u houd als een vriend.” Jezus zei tegen hem: “Weid mijn lammeren.”
16Voor de tweede keer vroeg Jezus: “Simon, zoon van Johannes, houd je met heel je hart van mij?” Hij antwoordde: “Ja, Heer, u weet dat ik van u houd als een vriend.” Jezus zei: “Zorg voor mijn schapen.”
17Voor de derde keer zei Jezus tegen hem: “Simon, zoon van Johannes, houd je van mij als een vriend?” Petrus was gekwetst dat Jezus hem voor de derde keer vroeg: “Houd je van mij als een vriend?” en hij zei: “Heer, u weet alles; u weet dat ik van u houd als een vriend.” Jezus zei tegen hem: “Weid mijn schapen.”
18“Echt waar, ik verzeker je: toen je jong was, kleedde je jezelf aan en ging je waar je wilde; maar als je oud bent, zul je je handen uitstrekken, en zal een ander je aankleden en je brengen waar je niet heen wilt.” 19Dit zei Jezus om te laten zien met wat voor dood Petrus onze Vader zou verheerlijken. Daarna zei hij tegen hem: “Volg mij.”
20Petrus draaide zich om en zag de leerling van wie Jezus hield achter hen aan komen — degene die tijdens de maaltijd tegen Jezus aan had geleund en had gevraagd: “Heer, wie gaat u verraden?” 21Toen Petrus hem zag, zei hij tegen Jezus: “Heer, en wat gebeurt er met hem?”
22Jezus zei tegen hem: “Als ik wil dat hij blijft totdat ik kom, wat gaat jou dat aan? Jij moet mij volgen.” 23Zo deed onder de broeders en zusters het gerucht de ronde dat deze leerling niet zou sterven. Toch had Jezus hem niet gezegd dat hij niet zou sterven, maar: “Als ik wil dat hij blijft totdat ik kom, wat gaat jou dat aan?”
24Dit is de leerling die van deze dingen getuigt en die ze heeft opgeschreven; en wij weten dat zijn getuigenis waar is. 25Jezus heeft nog veel meer dingen gedaan. Als die allemaal stuk voor stuk zouden worden opgeschreven, dan geloof ik niet dat de wereld zelf de boeken die geschreven werden zou kunnen bevatten. a a v25 Een bewuste beeldspraak voor hoeveel Jezus deed — geen letterlijke maat.