De Vader verheerlijkt zijn Zoon
Op de berg straalt zijn gezicht en zegt de stem van zijn Vader uit de wolk dat ze naar hem moeten luisteren. Beneden wacht de gekwelde jongen van een vader, en de leerlingen hebben gefaald. Jezus geneest hem, benoemt hun kleine geloof en zegt opnieuw dat hij zal worden overgeleverd.
17 1Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en zijn broer Johannes mee en bracht hen alleen een hoge berg op. 2Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn gezicht straalde als de zon en zijn kleren werden wit als het licht. 3Plotseling verschenen Mozes en Elia aan hen, in gesprek met hem. 4Petrus zei tegen Jezus: “Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als u wilt, zal ik drie hutten bouwen — een voor u, een voor Mozes en een voor Elia.”
5Terwijl hij nog sprak, bedekte een stralende wolk hen, en een stem uit de wolk zei: “Dit is mijn geliefde Zoon; in hem vind ik vreugde. Luister naar hem.”
6Toen de leerlingen dat hoorden, wierpen zij zich met het gezicht op de grond en werden doodsbang.
7Maar Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: “Sta op en wees niet bang.”
8Toen zij opkeken, zagen zij alleen Jezus.
9Terwijl zij de berg afdaalden, gebood Jezus hun: “Vertel niemand over het visioen totdat de Mensenzoon uit de dood is opgestaan.”
10De leerlingen vroegen hem: “Waarom zeggen de schriftgeleerden dan dat Elia eerst moet komen?”
11Hij antwoordde: “Elia komt inderdaad, en hij zal alles herstellen. 12Maar ik zeg jullie: Elia is al gekomen, en ze hebben hem niet herkend, maar met hem gedaan wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon door hun toedoen moeten lijden.”
13Toen begrepen de leerlingen dat hij met hen over Johannes de Doper sprak.
Jezus geneest een gekwelde jongen
14Toen zij bij de menigte kwamen, kwam er een man naar hem toe die voor hem knielde 15en zei: “Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij heeft toevallen en lijdt vreselijk; vaak valt hij in het vuur en vaak in het water. 16Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.”
17Jezus antwoordde: “Ontrouwe, verdraaide generatie! Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven, hoe lang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem hier bij mij.”
18En Jezus wees de demon streng terecht, en die ging uit hem weg, en op datzelfde moment was de jongen genezen.
19Toen kwamen de leerlingen onder vier ogen bij Jezus en vroegen: “Waarom konden wij hem niet uitdrijven?”
20Hij zei tegen hen: “Omdat jullie geloof klein is. Ik verzeker jullie: met geloof als een mosterdzaadje zullen jullie tegen deze berg zeggen: ‘Verplaats je van hier naar daar,’ en hij zal zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.” a a v20 De oudste handschriften hebben hier geen vers 21; latere afschriften voegen toe: “Maar dit soort gaat alleen weg door gebed en vasten.”
22Terwijl zij in Galilea bijeenkwamen, zei Jezus tegen hen: “De Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de mensen, 23ze zullen hem doden, en op de derde dag zal hij worden opgewekt.” Zij waren diep bedroefd.
De tempelbelasting
24Toen zij in Kafarnaüm aankwamen, kwamen de inners van de tempelbelasting naar Petrus toe en vroegen: “Betaalt jullie leraar de tempelbelasting niet?”
25Hij zei: “Jawel.” Toen hij het huis binnenkwam, nam Jezus als eerste het woord: “Wat denk je, Simon? Van wie heffen de aardse koningen tol of belasting — van hun eigen zonen, of van anderen?” b b v25 Jezus’ vraag wijst op een diepere waarheid: als de Zoon in het huis van zijn Vader is hij daar geen belasting verschuldigd — de tempel is van zijn Vader, en hij is de Zoon.
26Toen Petrus zei: “Van anderen,” zei Jezus tegen hem: “Dan zijn de zonen vrij.”
27“Maar om hen niet te kwetsen: ga naar het meer, werp een hengel uit en pak de eerste vis die bovenkomt. Open zijn bek en je zult een munt vinden. Neem die en geef hem aan hen, voor mij en voor jou.”