Haman beraamt een plan om de Joden uit te roeien
Haman wordt bevorderd, en Mordechai wil niet buigen. Beledigd vindt Haman de dood van één man te gering en koopt van de koning een decreet om alle Joden uit te roeien op een dag die door het lot wordt gekozen. Koeriers rijden uit terwijl de koning en Haman zitten te drinken.
3 1Hierna bevorderde koning Xerxes Haman, de zoon van Hammedata, de Agagiet; hij verhief hem en gaf zijn zetel een hogere plaats dan die van alle andere functionarissen bij hem. 2Alle dienaren van de koning die bij de poort van de koning waren, knielden en bogen voor Haman, zoals de koning had bevolen. Maar Mordechai wilde niet knielen of buigen. 3De dienaren van de koning bij de poort vroegen daarom aan Mordechai: “Waarom gehoorzaam je het bevel van de koning niet?” 4Dag in dag uit drongen ze bij hem aan, maar hij weigerde. Toen vertelden ze het aan Haman, om te zien of Mordechai bij zijn houding zou blijven, want hij had hun verteld dat hij een Jood was. 5Toen Haman zag dat Mordechai niet voor hem wilde knielen of buigen, werd hij woedend. 6Alleen Mordechai doden vond hij beneden zijn waardigheid, want ze hadden hem verteld tot welk volk Mordechai behoorde. Daarom zocht Haman naar een manier om heel het volk van Mordechai, de Joden, in heel het koninkrijk van Xerxes uit te roeien.
7In de eerste maand, de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Xerxes, wierpen ze het Pur (dat is het lot) voor Haman, voor elke dag en elke maand; en het lot viel op de twaalfde maand, de maand Adar. 8Haman zei tegen koning Xerxes: “Er is een bepaald volk dat verspreid en verstrooid tussen de andere volken woont, in alle provincies van uw koninkrijk. Hun wetten verschillen van die van alle anderen, en de wetten van de koning leggen ze naast zich neer; het levert de koning niets op om hen te dulden. 9Als het de koning goeddunkt, laat er dan een bevel geschreven worden om hen uit te roeien; dan zal ik 375 ton zilver afwegen voor zijn functionarissen, voor de koninklijke schatkamer.”
10De koning deed zijn zegelring af en gaf die aan Haman, de zoon van Hammedata, de Agagiet, de vijand van de Joden. 11“Het zilver is voor jou,” zei de koning tegen Haman, “en het volk ook; doe ermee wat je wilt.”
12Op de dertiende dag van de eerste maand werden de schrijvers van de koning ontboden, en er werd een bevel van Haman opgesteld voor de satrapen van de koning, de gouverneurs over elke provincie en de bestuurders van elk volk — voor elke provincie in haar eigen schrift en voor elk volk in zijn eigen taal. Het werd geschreven in de naam van koning Xerxes en verzegeld met zijn zegelring. 13Koeriers brachten brieven naar alle provincies van de koning: roei alle Joden uit, dood hen en vernietig hen — jong en oud, vrouwen en kinderen — op één dag, de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand Adar, en neem hun bezittingen in beslag. 14Een afschrift van de tekst moest in elke provincie als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken worden getoond, zodat ze op die dag klaar zouden staan. 15Op bevel van de koning haastten de koeriers zich naar buiten, en het besluit werd afgekondigd in de burcht Susa. De koning en Haman zaten te drinken, maar de stad Susa was in verwarring.