Alles nieuw
De oude orde is voorbij en onze Vader komt bij de mensen wonen – hijzelf hun Vader, die hun tranen droogt. De stad daalt neer, afgemeten, met edelstenen versierd, met poorten aan alle kanten, zonder tempel erin omdat hij en het Lam haar tempel zijn, en zonder nacht die de poorten sluit.
21 1Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was er niet meer. 2Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen, bij onze Vader vandaan, gereed als een bruid die voor haar man getooid is.
3Ik hoorde een luide stem vanaf de troon zeggen: “Kijk, de woning van onze Vader is bij de mensen. Hij zal bij hen wonen; zij zullen zijn volk zijn, en hijzelf, hun Vader, zal bij hen zijn.
4Onze Vader zal elke traan uit hun ogen wissen, en de dood zal er niet meer zijn, en er zal geen rouw, geen geween en geen pijn meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.”
5Hij die op de troon zat, zei: “Kijk, ik maak alles nieuw.” Hij voegde eraan toe: “Schrijf dit op: deze woorden zijn betrouwbaar en waar.” 6Hij zei tegen mij: “Het is gebeurd. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Wie dorst heeft, zal ik gratis te drinken geven uit de bron van het water van het leven. 7Wie overwint, zal dit alles erven, en ik zal zijn Vader zijn, en hij zal mijn zoon zijn. 8Maar de lafhartigen, de trouwelozen, de weerzinwekkenden, de moordenaars, de ontuchtigen, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars—hun deel is in het meer dat brandt van vuur en zwavel, de tweede dood.”
9Een van de zeven engelen die de zeven schalen vol met de zeven laatste plagen vasthielden, kwam naar me toe en zei: “Kom, ik zal je de bruid laten zien, de vrouw van Jezus, het Lam.” 10Hij bracht me in de Geest weg naar een grote, hoge berg en liet me de heilige stad Jeruzalem zien, die uit de hemel neerdaalde, bij onze Vader vandaan, 11en zij straalde van de luister van onze Vader, schitterend als het kostbaarste edelgesteente, als jaspis, helder als kristal. 12Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten, en bij de poorten stonden twaalf engelen, en daarop waren de namen geschreven van de twaalf stammen van de zonen van Israël, 13aan de oostkant drie poorten, aan de noordkant drie poorten, aan de zuidkant drie poorten, aan de westkant drie poorten. 14De muur van de stad had twaalf fundamenten, met daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van Jezus, het Lam.
15Degene die met me sprak, had een gouden meetlat om de stad, haar poorten en haar muren op te meten. 16De stad is vierkant, even lang als breed. Hij mat haar met zijn meetlat op: ongeveer 2.200 kilometer—lengte, breedte en hoogte gelijk. 17Hij mat haar muur op—ongeveer 66 meter, naar menselijke maat, die ook de maat van de engel is. 18De muur was gebouwd van jaspis, terwijl de stad van zuiver goud was, helder als glas. 19De fundamenten van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen: het eerste was jaspis, het tweede saffier, het derde agaat, het vierde smaragd, 20het vijfde onyx, het zesde karneool, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, en het twaalfde amethist. 21De twaalf poorten waren twaalf parels; elke poort was gemaakt van één enkele parel. De straat van de stad was van zuiver goud, doorzichtig als glas.
22Ik zag geen tempel in de stad, want haar tempel is de soevereine, almachtige Vader en Jezus, het Lam. 23De stad heeft geen zon of maan nodig om haar te beschijnen—de luister van onze Vader verlicht haar, en haar lamp is Jezus, het Lam. 24De volken zullen in haar licht wandelen, en de koningen van de aarde zullen hun luister erin binnenbrengen. 25En haar poorten zullen overdag nooit gesloten worden—en nacht zal er niet zijn. 26Men zal de luister en de eer van de volken erin binnenbrengen. 27Niets onreins zal er ooit binnenkomen, en ook niemand die doet wat weerzinwekkend of leugenachtig is—alleen zij die geschreven staan in het boek van het leven van Jezus, het Lam.