De weg die ze gingen
Mozes schrijft elke etappe van de tocht op, van Rameses tot de vlakten van Moab, legerplaats na legerplaats, ook de plek waar Aäron stierf. Dan volgt het bevel: trek over de Jordaan, verdrijf de bewoners, vernietig hun beelden en offerhoogten, en verdeel het land door het lot.
33 1Dit zijn de etappes van de tocht van de Israëlieten uit Egypte, ingedeeld naar hun legerafdelingen, onder leiding van Mozes en Aäron. 2Mozes schreef op bevel van onze Vader hun vertrekpunten op, etappe voor etappe; en dit zijn hun etappes, vertrekpunt voor vertrekpunt. 3Ze vertrokken uit Rameses op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na Pesach. Vol vertrouwen trokken de Israëlieten weg, voor de ogen van alle Egyptenaren, 4terwijl de Egyptenaren al hun eerstgeborenen begroeven, die onze Vader onder hen had gedood. Ook aan hun goden voltrok onze Vader zijn vonnis. 5De Israëlieten vertrokken uit Rameses en sloegen hun kamp op bij Sukkot. 6Ze vertrokken uit Sukkot en sloegen hun kamp op bij Etam, dat aan de rand van de woestijn ligt. 7Ze verlieten Etam, keerden terug naar Pi-Hachirot, ten oosten van Baäl-Sefon, en sloegen hun kamp op voor Migdol. 8Ze vertrokken bij Hachirot vandaan, trokken dwars door de zee de woestijn in, reisden drie dagen door de woestijn van Etam en sloegen hun kamp op bij Mara. 9Ze verlieten Mara en kwamen bij Elim, waar twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen stonden; daar sloegen ze hun kamp op. 10Ze vertrokken uit Elim en sloegen hun kamp op bij de Jam Suf. a a v10 Jam Suf is de Hebreeuwse naam voor het water dat algemeen bekendstaat als de Rode Zee. 11Ze vertrokken bij de Jam Suf vandaan en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin. 12Ze vertrokken uit de woestijn Sin en sloegen hun kamp op bij Dofka. 13Ze vertrokken uit Dofka en sloegen hun kamp op bij Alus. 14Ze verlieten Alus en sloegen hun kamp op bij Refidim, waar het volk geen water had om te drinken. 15Ze vertrokken uit Refidim en sloegen hun kamp op in de woestijn Sinaï. 16Ze vertrokken uit de woestijn Sinaï en sloegen hun kamp op bij Kibrot-Hattaäwa. 17Ze vertrokken uit Kibrot-Hattaäwa en sloegen hun kamp op bij Chaserot. 18Ze vertrokken uit Chaserot en sloegen hun kamp op bij Ritma. 19Ze vertrokken uit Ritma en sloegen hun kamp op bij Rimmon-Peres. 20Ze vertrokken uit Rimmon-Peres en sloegen hun kamp op bij Libna. 21Ze vertrokken uit Libna en sloegen hun kamp op bij Rissa. 22Ze vertrokken uit Rissa en sloegen hun kamp op bij Kehelata. 23Ze vertrokken uit Kehelata en sloegen hun kamp op bij de berg Sefer. 24Ze vertrokken bij de berg Sefer vandaan en sloegen hun kamp op bij Charada. 25Ze vertrokken uit Charada en sloegen hun kamp op bij Makhelot. 26Ze vertrokken uit Makhelot en sloegen hun kamp op bij Tachat. 27Ze vertrokken uit Tachat en sloegen hun kamp op bij Terach. 28Ze vertrokken uit Terach en sloegen hun kamp op bij Mitka. 29Ze vertrokken uit Mitka en sloegen hun kamp op bij Chasmona. 30Ze vertrokken uit Chasmona en sloegen hun kamp op bij Moserot. 31Ze vertrokken uit Moserot en sloegen hun kamp op bij Bene-Jaäkan. 32Ze vertrokken uit Bene-Jaäkan en sloegen hun kamp op bij Chor-Haggidgad. 33Ze vertrokken uit Chor-Haggidgad en sloegen hun kamp op bij Jotbata. 34Ze vertrokken uit Jotbata en sloegen hun kamp op bij Abrona. 35Ze vertrokken uit Abrona en sloegen hun kamp op bij Esjon-Geber. 36Ze vertrokken uit Esjon-Geber en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades. 37Ze verlieten Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom. 38De priester Aäron beklom op bevel van onze Vader de berg Hor en stierf daar in het veertigste jaar nadat de Israëlieten uit Egypte waren vertrokken, op de eerste dag van de vijfde maand. 39Aäron was 123 jaar oud toen hij stierf op de berg Hor. 40De Kanaänitische koning van Arad, die in de Negev van Kanaän woonde, hoorde dat de Israëlieten eraan kwamen. 41Ze vertrokken bij de berg Hor vandaan en sloegen hun kamp op bij Salmona. 42Ze vertrokken uit Salmona en sloegen hun kamp op bij Punon. 43Ze vertrokken uit Punon en sloegen hun kamp op bij Obot. 44Ze vertrokken uit Obot en sloegen hun kamp op bij Ijje-Abarim, aan de grens van Moab. 45Ze vertrokken uit Ijim en sloegen hun kamp op bij Dibon-Gad. 46Ze vertrokken uit Dibon-Gad en sloegen hun kamp op bij Almon-Diblataïm. 47Ze vertrokken uit Almon-Diblataïm en sloegen hun kamp op in het Abarimgebergte, bij de Nebo. 48Ze verlieten het Abarimgebergte en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho. 49Ze sloegen hun kamp op langs de Jordaan, van Bet-Hajjesimot tot Abel-Hassittim, in de vlakten van Moab.
50Onze Vader sprak tegen Mozes in de vlakten van Moab, aan de Jordaan bij Jericho:
51“Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer jullie de Jordaan oversteken, het land Kanaän in, 52verdrijf dan iedereen die voor jullie uit in het land woont; vernietig al hun gesneden beelden en hun gegoten beelden en breek al hun offerhoogten af. 53Neem het land in bezit en ga erin wonen, want ik heb jullie het land in bezit gegeven. 54Verdeel het land door loting onder jullie geslachten — een grote familie krijgt meer land, een kleine minder. Wat het lot iemand toewijst, wordt van hem. Jullie zullen het erven volgens de stammen van jullie voorouders.
55“Maar als jullie de bewoners van het land niet voor je uit verdrijven, dan zullen de mensen die jullie laten blijven, als splinters in je ogen en doornen in je zij zijn en zullen ze jullie lastigvallen in het land waar jullie wonen. 56En dan zal ik met jullie doen wat ik van plan was met hen te doen.”