Rabba valt en David draagt de kroon
Joab voert de strijd bij Rabba terwijl David thuisblijft, al komt de koning hier wel om de kroon te nemen. Dan volgen drie schermutselingen met Filistijnse reuzen, onder wie een man met zes vingers die Israël bespotte en werd neergeslagen door Davids neef.
20 1Bij het begin van het nieuwe jaar, in de tijd dat koningen ten strijde trekken, voerde Joab het leger naar buiten en verwoestte het land van de Ammonieten. Daarna rukte hij op en belegerde Rabba, terwijl David in Jeruzalem bleef. Joab viel Rabba aan en verwoestte de stad. 2David nam de kroon van het hoofd van hun koning. Die woog ongeveer vijfendertig kilo goud en was bezet met een edelsteen, en hij werd op Davids hoofd gezet. Ook voerde hij een grote buit uit de stad mee. 3Hij liet de inwoners naar buiten brengen en zette hen aan het werk met zagen, ijzeren houwelen en bijlen. Met alle steden van de Ammonieten deed David hetzelfde. Daarna keerden David en heel zijn leger terug naar Jeruzalem.
De reuzen vallen door Israëls hand
4Hierna brak er oorlog uit met de Filistijnen bij Gezer. Toen doodde Sibbechai uit Chusa Sippai, een van de afstammelingen van Rafa, en de Filistijnen werden onderworpen.
5Opnieuw brak er oorlog uit met de Filistijnen. Elchanan, de zoon van Jaïr, doodde Lachmi, de broer van Goliat uit Gat, wiens speerschacht zo dik was als een zware weversboom. 6Nog eens brak er oorlog uit bij Gat, waar een reusachtige man woonde met zes vingers aan elke hand en zes tenen aan elke voet, vierentwintig in totaal — ook hij was een nakomeling van Rafa. 7Toen hij Israël hoonde, sloeg Jonatan, de zoon van Simea, de broer van David, hem neer. 8Dezen waren nakomelingen van Rafa in Gat, en zij vielen door de hand van David en zijn mannen.