Wetten voor huis en naaste
Wetten die mensen beschermen waar ze het kwetsbaarst zijn: een pasgetrouwde man een jaar vrijgesteld van oorlog, geen molensteen als onderpand, de mantel van een arme vóór zonsondergang terug, loon op dezelfde dag uitbetaald. Vergeten schoven en achtergebleven olijven en druiven zijn voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.
24 1Wanneer een man met een vrouw trouwt en zij hem niet langer bevalt omdat hij iets onbehoorlijks bij haar ontdekt, schrijft hij haar een scheidingsbrief, geeft die in haar hand en stuurt haar weg uit zijn huis, a a v1 Mozes stond echtscheiding toe vanwege de hardheid van het menselijke hart; Jezus wees terug naar het oorspronkelijke plan van onze Vader: een levenslange verbintenis (Matteüs 19:8). 2en wanneer zij zijn huis verlaat, weggaat en de vrouw van een andere man wordt, 3en haar tweede man haar haat, haar een scheidingsbrief schrijft, die in haar hand geeft en haar wegstuurt uit zijn huis — of wanneer die tweede man die haar tot vrouw nam sterft, 4dan mag haar eerste man, die haar heeft weggestuurd, niet opnieuw met haar trouwen nadat zij onrein is geworden; dat is weerzinwekkend voor onze Vader, en je mag geen schuld brengen over het land dat je Vader je als erfdeel geeft.
5Wanneer een man pas een vrouw heeft genomen, mag hij niet bij het leger gaan of enige taak opgelegd krijgen; hij blijft een jaar lang vrij thuis, om vreugde te brengen aan de vrouw die hij heeft genomen.
6Niemand mag een paar molenstenen, of zelfs maar de bovenste, als onderpand voor een schuld nemen — dan verpand je iemands bestaan zelf.
7Als blijkt dat een man een mede-Israëliet ontvoert, hem tot slaaf maakt of hem verkoopt, dan moet die ontvoerder sterven. Zo ruim je het kwaad uit je midden weg.
8Wees bij een besmettelijke huidziekte heel zorgvuldig en doe precies wat de Levitische priesters je leren, zoals ik hun heb opgedragen. 9Denk aan wat je Vader met Mirjam deed onderweg, toen jullie uit Egypte trokken.
10Wanneer je je naaste iets leent, ga dan zijn huis niet binnen om zijn onderpand te halen. 11Je moet buiten blijven staan, en degene die geleend heeft, moet het onderpand naar je toe brengen. 12En als hij een arme is, mag je zijn onderpand niet de nacht over houden. 13Geef hem zijn onderpand terug bij zonsondergang, zodat hij in zijn mantel kan slapen en je kan zegenen; je Vader zal het je als gerechtigheid toerekenen.
14Buit een arme, behoeftige dagloner niet uit, of het nu een broeder is of een vreemdeling die in je land woont, in je steden. 15Betaal hem zijn loon op dezelfde dag, nog voor zonsondergang — hij is arm en is ervan afhankelijk. Anders roept hij misschien onze Vader tegen je aan, en dan is het zonde voor je.
16Ouders mogen niet ter dood worden gebracht om hun kinderen, en kinderen niet om hun ouders; ieder moet ter dood worden gebracht om zijn eigen zonde.
17Je mag de vreemdeling of de wees het recht niet onthouden, en de mantel van een weduwe niet als onderpand nemen. 18Denk eraan dat jullie slaven waren in Egypte; je Vader heeft je daaruit verlost — daarom draag ik je op dit te doen.
19Wanneer je je akker oogst en een schoof vergeet, ga er dan niet voor terug. Laat die liggen voor de vreemdeling, de wees en de weduwe, zodat je Vader je zegent in al het werk van je handen. 20Wanneer je je olijfboom afslaat, ga dan de takken niet nog eens langs; laat wat overblijft voor de vreemdeling, de wees en de weduwe.
21Wanneer je de druiven van je wijngaard plukt, pluk dan niet na wat er achterblijft; laat het voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. 22Denk eraan dat jullie slaven waren in het land Egypte; daarom draag ik je op dit te doen.