Genade en vrede voor Galatië
De vurige verdediging door Paulus van het evangelie van genade tegen hen die het houden van de wet aan het geloof willen toevoegen. Vrijheid in Christus is het thema.
1 1Paulus, een apostel — niet door mensen, en ook niet via een mens, maar door Jezus Christus en onze Vader, die hem uit de dood heeft opgewekt, 2en alle broeders en zusters die bij mij zijn, aan de gemeenten van Galatië: 3Genade en vrede voor jullie, van onze Vader en de Heer Jezus Christus, 4die zichzelf voor onze zonden heeft gegeven om ons te redden uit deze slechte wereld van nu, volgens de wil van onze Vader, 5aan wie de eer toekomt tot in alle eeuwigheid. Amen.
Geen ander evangelie
6Het verbaast me dat jullie je zo snel afkeren van hem die jullie door de genade van Christus heeft geroepen, en je tot een ander evangelie wenden. 7Niet dat er een ander evangelie bestaat — maar sommigen brengen jullie in verwarring en willen het evangelie van Christus verdraaien. 8Maar zelfs als wij, of een engel uit de hemel, een ander evangelie zouden verkondigen dan wat wij jullie verkondigd hebben, dan moet die vervloekt zijn. 9Zoals we eerder hebben gezegd, zo herhaal ik het nu: als iemand jullie een ander evangelie verkondigt dan wat jullie ontvangen hebben, dan moet die persoon vervloekt zijn.
10Zoek ik nu de goedkeuring van mensen, of die van onze Vader? Probeer ik mensen te behagen? Als ik nog steeds mensen wilde behagen, zou ik geen dienaar van Christus zijn.
De Vader riep Paulus rechtstreeks
11Want broeders en zusters, ik wil dat jullie weten: het evangelie dat ik verkondigd heb, komt niet van mensen. 12Ik heb het van niemand ontvangen en het is me ook niet geleerd, maar ik heb het gekregen door een openbaring van Jezus Christus. 13Jullie hebben gehoord over mijn verleden in het jodendom — hoe fel ik de gemeente van onze Vader vervolgde en haar probeerde te vernietigen. 14Ik ging in het jodendom veel verder dan veel leeftijdgenoten onder mijn volk, en ik was veel vuriger voor de tradities van mijn voorouders. 15Maar toen het onze Vader behaagde, die mij vanaf de moederschoot had afgezonderd en mij door zijn genade had geroepen, 16om zijn Zoon in mij te openbaren, zodat ik hem onder de volken zou verkondigen, overlegde ik niet meteen met iemand, 17en ging ik ook niet naar Jeruzalem, naar hen die al vóór mij apostel waren, maar ik ging naar Arabië en keerde daarna terug naar Damascus.
18Toen, drie jaar later, ging ik naar Jeruzalem om Petrus te leren kennen, en ik bleef vijftien dagen bij hem. 19Maar van de andere apostelen zag ik niemand, behalve Jakobus, de broer van de Heer. 20Wat ik jullie schrijf, dat verzeker ik jullie ten overstaan van onze Vader: ik lieg niet. 21Daarna ging ik naar de streken van Syrië en Cilicië. 22Persoonlijk was ik nog onbekend bij de gemeenten van Judea die in Christus zijn. 23Ze hoorden alleen: “Hij die ons ooit vervolgde, verkondigt nu het geloof dat hij ooit probeerde te vernietigen.” 24En ze prezen onze Vader om mij.