Kinderen van onze Vader genoemd
Onze Vader noemt hen nu al zijn kinderen, al is nog niet zichtbaar wat ze zullen zijn. Kaïn is de waarschuwing: haat is al moord. Liefde is Christus die zijn leven aflegt, en handen die opengaan voor een broeder in nood. Wanneer het hart veroordeelt, is onze Vader groter.
3 1Kijk eens wat voor liefde onze Vader ons gegeven heeft: wij mogen kinderen van onze Vader genoemd worden! En dat zijn we ook. De wereld kent ons niet, omdat ze hem niet gekend heeft. a a v1 De liefde van onze Vader is niet abstract — ze maakt ons tot zijn kinderen, onze diepste identiteit. 2Geliefden, wij zijn nu al kinderen van onze Vader; wat wij zullen worden, is nog niet zichtbaar geworden. Maar wij weten dat wij, wanneer hij verschijnt, aan hem gelijk zullen zijn, want wij zullen hem zien zoals hij is. 3En ieder die deze hoop op hem heeft, reinigt zichzelf, zoals hij rein is.
4Ieder die blijft zondigen, begaat ook wetteloosheid; zonde is wetteloosheid. 5Jullie weten dat hij verschenen is om onze zonden weg te nemen, en in hem is geen zonde. 6Wie in hem blijft, blijft niet zondigen; wie blijft zondigen, heeft hem niet gezien en niet gekend.
7Lieve kinderen, laat niemand jullie misleiden. Wie rechtvaardig handelt, is rechtvaardig, zoals hij rechtvaardig is. 8Wie blijft zondigen, komt van de duivel, want de duivel zondigt vanaf het begin. De Zoon van onze Vader is verschenen om de werken van de duivel te vernietigen. 9Niemand die uit onze Vader geboren is, blijft zondigen, omdat zijn zaad in hem blijft; en hij kan niet blijven zondigen, omdat hij uit onze Vader geboren is. 10Hieraan is te zien wie de kinderen van onze Vader zijn en wie de kinderen van de duivel: wie niet doet wat goed is, komt niet van onze Vader, en ook niet wie zijn broer of zus niet liefheeft.
Heb elkaar lief als familie
11Want dit is de boodschap die jullie vanaf het begin gehoord hebben: dat wij elkaar moeten liefhebben. 12Niet zoals Kaïn, die bij de boze hoorde en zijn broer vermoordde. Waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig. 13Wees niet verbaasd, broers en zussen, als de wereld jullie haat. 14Wij weten dat wij van de dood zijn overgegaan naar het leven, omdat wij elkaar liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood. 15Ieder die zijn broer of zus haat, is een moordenaar, en jullie weten dat geen enkele moordenaar het eeuwige leven in zich heeft.
16Hieraan weten wij wat liefde is: Christus heeft zijn leven voor ons gegeven; ook wij moeten ons leven geven voor elkaar. 17Maar als iemand genoeg bezit in deze wereld en zijn broer of zus in nood ziet, maar zijn hart voor hen sluit, hoe kan de liefde van onze Vader dan in hem blijven?
18Lieve kinderen, laten we niet liefhebben met woorden of praatjes, maar met daden en in waarheid. 19Hieraan zullen wij weten dat wij uit de waarheid komen, en ons hart voor hem tot rust brengen, 20wanneer ons hart ons veroordeelt; want onze Vader is groter dan ons hart, en hij weet alles. 21Geliefden, als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid tegenover onze Vader; 22en wat wij ook vragen, ontvangen wij van hem, omdat wij zijn geboden houden en doen wat hem behaagt. 23En dit is zijn gebod: dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus, en elkaar liefhebben zoals hij ons geboden heeft. 24Wie zijn geboden houdt, blijft in onze Vader, en onze Vader in hem. Hieraan weten wij dat hij in ons blijft: aan de Heilige Geest die hij ons gegeven heeft.