De Vader zondert de priesterlijke lijn van Levi af
De lijn van Levi wordt gevolgd via Aäron tot de priester die in ballingschap ging, en daarna via de zangers die David aanstelde voor het huis van onze Vader. De stam zonder eigen erfgrond krijgt achtenveertig steden, verspreid over het gebied van alle anderen.
6 1De zonen van Levi: Gerson, Kehat en Merari. 2De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël. 3De kinderen van Amram: Aäron, Mozes en Mirjam. De zonen van Aäron: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 4Eleazar werd de vader van Pinehas, Pinehas werd de vader van Abisua, 5Abisua werd de vader van Bukki, Bukki werd de vader van Uzzi, 6Uzzi werd de vader van Zerahja, Zerahja werd de vader van Merajot, 7Merajot werd de vader van Amarja, Amarja werd de vader van Ahitub, 8Ahitub werd de vader van Sadok, Sadok werd de vader van Ahimaäz, 9Ahimaäz werd de vader van Azarja, Azarja werd de vader van Johanan, 10Johanan werd de vader van Azarja, die als priester diende in de tempel die Salomo in Jeruzalem had gebouwd. 11Azarja werd de vader van Amarja, Amarja werd de vader van Ahitub, 12Ahitub werd de vader van Sadok, Sadok werd de vader van Sallum, 13Sallum werd de vader van Hilkia, Hilkia werd de vader van Azarja, 14Azarja werd de vader van Seraja, en Seraja werd de vader van Josadak. 15Josadak ging in ballingschap toen onze Vader Juda en Jeruzalem wegvoerde door Nebukadnessar.
16De zonen van Levi: Gersom, Kehat en Merari. 17Dit zijn de namen van de zonen van Gersom: Libni en Simeï. 18De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël. 19De zonen van Merari: Mahli en Musi. Dit zijn de geslachten van de Levieten, ingedeeld naar hun voorouderlijke families. 20Van Gersom: zijn zoon Libni, diens zoon Jahat, diens zoon Zimma, 21diens zoon Joah, diens zoon Iddo, diens zoon Zerah, diens zoon Jeaterai. 22De nakomelingen van Kehat: zijn zoon Amminadab, diens zoon Korach, diens zoon Assir, 23diens zoon Elkana, diens zoon Ebjasaf, diens zoon Assir, 24diens zoon Tahat, diens zoon Uriël, diens zoon Uzzia, en diens zoon Saul. 25De zonen van Elkana: Amasai en Ahimot, 26diens zoon Elkana, diens zoon Zofai, diens zoon Nahat, 27diens zoon Eliab, diens zoon Jeroham, diens zoon Elkana. 28De zonen van Samuel: Joël, de eerstgeborene, en Abia, de tweede. 29De zonen van Merari: Mahli, diens zoon Libni, diens zoon Simeï, diens zoon Uzza, 30diens zoon Simea, diens zoon Haggia, en diens zoon Asaja.
31Dit zijn de mannen die David aanstelde over de muziek in het huis van onze Vader, nadat de ark een rustplaats had gekregen. 32Zij verrichtten hun dienst met gezang voor de tabernakel, de tent van de ontmoeting, totdat Salomo het huis van onze Vader in Jeruzalem had gebouwd, en zij voerden hun dienst uit volgens de orde die voor hen was vastgesteld. 33Dit zijn degenen die dienstdeden, met hun zonen. Van de Kehatieten: Heman de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuel, 34de zoon van Elkana, de zoon van Jeroham, de zoon van Eliël, de zoon van Toah, 35de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Mahat, de zoon van Amasai, 36de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Sefanja, 37de zoon van Tahat, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach, 38de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, de zoon van Israël. 39Zijn broer Asaf stond aan Hemans rechterhand: Asaf, de zoon van Berekja, de zoon van Simea, 40de zoon van Michaël, de zoon van Baäseja, de zoon van Malkia, 41de zoon van Etni, de zoon van Zerah, de zoon van Adaja, 42de zoon van Etan, de zoon van Zimma, de zoon van Simeï, 43de zoon van Jahat, de zoon van Gersom, de zoon van Levi. 44Aan de linkerkant stonden hun broers, de zonen van Merari: Etan, de zoon van Kisi, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch, 45de zoon van Hasabja, de zoon van Amasja, de zoon van Hilkia, 46de zoon van Amzi, de zoon van Bani, de zoon van Semer, 47de zoon van Mahli, de zoon van Musi, de zoon van Merari, de zoon van Levi.
48Hun mede-Levieten waren aangesteld voor heel de dienst van de tabernakel, het huis van onze Vader. 49Maar Aäron en zijn zonen brachten offers op het brandofferaltaar en op het reukofferaltaar; zij deden al het werk in het allerheiligste en brachten verzoening voor Israël, volgens alles wat Mozes, de dienaar van onze Vader, had bevolen.
50Dit waren de zonen van Aäron: zijn zoon Eleazar, diens zoon Pinehas, diens zoon Abisua, 51diens zoon Bukki, diens zoon Uzzi, diens zoon Zerahja, 52diens zoon Merajot, diens zoon Amarja, diens zoon Ahitub, 53diens zoon Sadok, en diens zoon Ahimaäz.
54Dit waren hun woonplaatsen en nederzettingen binnen hun gebied: de nakomelingen van Aäron, van het geslacht van de Kehatieten, kregen het eerste lot, 55en aan hen werd Hebron gegeven in het land van Juda, met de weidegronden eromheen. 56Maar de akkers van de stad en de bijbehorende dorpen gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne. 57Zo werden aan de nakomelingen van Aäron de vrijsteden gegeven: Hebron, Libna met zijn weidegronden, Jattir, Estemoa met zijn weidegronden, 58Hilen met zijn weidegronden, Debir met zijn weidegronden, 59Asan met zijn weidegronden, en Bet-Semes met zijn weidegronden. 60Van de stam Benjamin: Geba, Alemet en Anatot, elk met weidegrond — in totaal dertien steden, verdeeld onder de geslachten.
61De overige Kehatieten kregen door loting tien steden toegewezen uit de geslachten van de halve stam Manasse. 62De Gersomieten kregen, naar hun geslachten, dertien steden uit Issachar, Aser, Naftali en het deel van Manasse in Basan. 63De Merarieten kregen, geslacht voor geslacht, twaalf steden toegewezen uit de stammen Ruben, Gad en Zebulon. 64Zo gaven de Israëlieten aan de Levieten deze steden, samen met hun weidegronden. 65Uit de stammen Juda, Simeon en Benjamin wezen zij door loting de hierboven genoemde steden toe.
66Sommige van de Kehatitische geslachten kregen als hun gebied steden uit de stam Efraïm. 67Aan hen werden de vrijsteden gegeven: Sichem met weidegrond in het bergland van Efraïm, en Gezer met weidegrond, 68Jokmeam met zijn weidegronden, Bet-Horon met zijn weidegronden, 69Ajjalon met zijn weidegronden, en Gat-Rimmon met zijn weidegronden. 70Van de halve stam Manasse: Aner met zijn weidegronden en Bileam met zijn weidegronden, voor de overige Kehatitische geslachten.
71De Gersomieten kregen van het geslacht van de halve stam Manasse: Golan in Basan met zijn weidegronden, en Astarot met zijn weidegronden, 72van de stam Issachar: Kedes met zijn weidegronden, Daberat met zijn weidegronden, 73Ramot met zijn weidegronden, en Anem met zijn weidegronden; 74van de stam Aser: Masal met zijn weidegronden, Abdon met zijn weidegronden, 75Hukok met zijn weidegronden, en Rehob met zijn weidegronden; 76van de stam Naftali: Kedes in Galilea met weidegrond, Hammon met weidegrond, Kirjataïm met weidegrond.
77De overige Merarieten kregen, van de stam Zebulon, Rimmono met zijn weidegrond en Tabor met zijn weidegrond, 78en aan de overkant van de Jordaan, ten oosten van Jericho, van de stam Ruben: Beser in de woestijn met zijn weidegronden, Jahsa met zijn weidegronden, 79Kedemot met zijn weidegronden, en Mefaät met zijn weidegronden; 80en van de stam Gad: Ramot in Gilead met zijn weidegronden, Mahanaïm met zijn weidegronden, 81Hesbon met zijn weidegronden, en Jazer met zijn weidegronden.